Waarom moesten Adam en Eva het paradijs verlaten?

De vraag “Waarom heeft God dit laten gebeuren?” is begrijpelijk. Het is een legitieme vraag om te beginnen. Wat zeker is dat je hiermee niet moet eindigen. Er volgt een stroom aan mogelijke antwoorden en elke betekenis is een aanduiding dat er méér te weten is. Wat brengt het hart tot rust in God en wat veroorzaakt afstand tot Hem? Genesis laat zien dat de mens alles had om eeuwig te leven: God zelf. Dat volmaakte leven bestond niet in zelfstandigheid, maar in afhankelijkheid van Hem.

God is niet één oorzaak tussen andere oorzaken

De vraag behandelt God gemakkelijk alsof Hij de eerste dominosteen omstootte en daarmee ook de ongehoorzaamheid van Adam en Eva veroorzaakte.

Maar zo spreekt de Bijbel niet over Gods verhouding tot de werkelijkheid:

“Uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen.”
— Romeinen 11:36

“In Hem leven wij, bewegen wij en zijn wij.”
— Handelingen 17:28

“Alle dingen bestaan tezamen door Hem.”
— Kolossenzen 1:17

God kan scheppen en handelen, maar Hij is niet één oorzaak binnen de geschapen keten. Oorzaak en gevolg, tijd, natuurwetten en menselijke handelingen behoren tot de werkelijkheid die door Hem wordt gedragen.

God is de Grond

Met Grond bedoel ik niet dat God niets veroorzaakt. De Bijbel zegt juist dat Hij schept, spreekt en handelt. Het punt is dat God geen onderdeel is van de werkelijkheid die Hij draagt.

“IK BEN DIE IK BEN.”
— Exodus 3:14

God ontleent Zijn bestaan niet aan iets anders. Hij is niet ontstaan en wordt niet door iets anders in bestaan gehouden. Alles wat geschapen is, bestaat daarentegen door Hem:

“Alle dingen zijn door Hem geworden.”
— Johannes 1:3

“Hij draagt alle dingen door het woord van Zijn kracht.”
— Hebreeën 1:3

Een eerste dominosteen is nog steeds een steen binnen de rij. God is niet zo’n dominosteen. Hij is de Grond waardoor de stenen, de ruimte waarin zij staan, de tijd waarin zij vallen en de wetten waaronder zij bewegen überhaupt kunnen bestaan.

God is dus niet onderworpen aan de geschapen keten van oorzaak en gevolg en is er geen onderdeel van. Hij kan werkelijk in Zijn schepping handelen, terwijl die hele schepping voortdurend van Hem afhankelijk blijft.

Daarom is gronding niet hetzelfde als veroorzaking.

Dat God Adam en Eva in bestaan hield, betekent niet dat Hij hun ongehoorzaamheid veroorzaakte. De Bijbel legt hun daad uitdrukkelijk bij henzelf:

“Zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook wat aan haar man, en hij at ervan.”
— Genesis 3:6

Jakobus sluit uit dat God de bron van hun verleiding tot het kwaad was:

“God kan niet verzocht worden met het kwade en Hijzelf verzoekt niemand.”
— Jakobus 1:13

God grondde hun bestaan, hun omgeving en hun vermogen om werkelijk te handelen. Adam en Eva waren zelf verantwoordelijk voor de richting die zij aan hun handelen gaven.

God maakte hun bestaan en hun werkelijke handelen mogelijk; Adam en Eva waren zelf verantwoordelijk voor de richting van hun handelen.

De vergelijking met zwaartekracht

Zwaartekracht behoort tot de geschapen orde. Zij maakt een stabiele en bewoonbare wereld mogelijk, maar kan ook dodelijk zijn wanneer iemand er geen rekening mee houdt. Wanneer iemand van grote hoogte valt, bewijst dat niet dat de zwaartekracht slecht of imperfect is. Het laat zien dat de werkelijkheid een vaste structuur heeft en dat handelen binnen die werkelijkheid gevolgen heeft.

God is natuurlijk geen onpersoonlijke natuurkracht. De vergelijking maakt slechts één punt duidelijk:

Een goede en stabiele orde wordt niet imperfect doordat handelen tegen die orde ernstige gevolgen heeft.

De Bijbel noemt God de Bron van het leven:

“In Hem was het leven.”
— Johannes 1:4

Wie zich van de Bron van het leven afkeert, beweegt zich daarmee van het leven af. Niet omdat God imperfect is, maar omdat een schepsel nooit zelf de grond en bron van zijn eigen bestaan kan worden.

De keuze van Adam en Eva

De slang zei:

“U zult als God zijn en goed en kwaad kennen.”
— Genesis 3:5

Adam en Eva namen vervolgens zelf van de vrucht en aten ervan (Genesis 3:6). Hun zonde was daarom meer dan het overtreden van een losse regel. Zij kozen voor autonomie: zij wilden vanuit zichzelf bepalen wat goed en kwaad was.

Zij wilden autonoom zijn in hun willen, doen en weten, terwijl zij voor hun bestaan volledig afhankelijk bleven van God. Zij konden niet werkelijk hun eigen grond worden, maar zij konden wel leven alsof zij zichzelf tot norm konden maken.

Waarom zij uit het paradijs werden gestuurd

Genesis geeft hiervoor een directe reden:

“Nu dan, laat hij zijn hand niet uitsteken en ook van de boom des levens nemen en eten, zodat hij eeuwig zou leven.”
— Genesis 3:22

“Daarom zond de HEERE God hem weg uit de hof van Eden.”
— Genesis 3:23

God sloot vervolgens de toegang tot de boom des levens af (Genesis 3:24). De tekst zegt dus uitdrukkelijk dat God de mens wegstuurde om te voorkomen dat hij ook van de boom des levens zou eten en eeuwig zou leven.

Omdat dit plaatsvindt ná de zondeval, is de theologische betekenis dat de mens zijn nu gebroken bestaan niet onbeperkt via de boom des levens zou voortzetten.

De verdrijving uit het paradijs was daarom tegelijk:

  • oordeel, omdat hun ongehoorzaamheid werkelijke gevolgen had;
  • bescherming, omdat de toegang tot een onbeperkt voortbestaan in die gebroken toestand werd afgesloten.

Hun vertrek uit Eden maakte zichtbaar wat in hun verhouding tot God al was gebeurd: zij hadden geprobeerd autonoom te leven van de God in Wie zij leefden, bewogen en bestonden.

Conclusie

De zondeval en de verdrijving kunnen de indruk wekken dat er iets aan Gods schepping of goedheid ontbrak. Maar Genesis begint juist met het tegendeel:

“En God zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed.”
— Genesis 1:31

Een gave vrucht kan zonder bederf bestaan, terwijl bederf alleen kan bestaan als aantasting van iets dat eerst goed is. Zo is elke eigenschap van God volkomen in zichzelf en niet afhankelijk van haar ontkenning of afwezigheid.

Het goede kan zonder het kwaad bestaan, maar het kwaad kan niet zonder het goede bestaan, omdat kwaad een aantasting of afwezigheid van het goede is.

Daarom heeft Gods goedheid het kwaad niet nodig, Zijn waarheid de leugen niet, Zijn leven de dood niet en Zijn liefde de haat niet. Zijn eigenschappen worden niet pas compleet door hun tegendeel.

Gods goedheid heeft het kwaad dus niet nodig. Zijn waarheid heeft de leugen niet nodig. Zijn leven heeft de dood niet nodig. Zijn liefde heeft de haat niet nodig. Zijn eigenschappen zijn in zichzelf volkomen en worden niet pas compleet door hun ontkenning.

De Bijbel zegt daarom:

“God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis.”
— 1 Johannes 1:5

“U bent goed en doet goed.”
— Psalm 119:68

“God, Die niet liegen kan.”
— Titus 1:2

De zondeval onthult daarom geen gebrek in God, maar een gebrek in de richting van de menselijke wil. Adam en Eva keerden zich af van wat al goed en volkomen was. Het kwaad ontstond niet omdat God iets miste of een tegenpool nodig had, maar doordat de mens binnen een goede, door God gedragen werkelijkheid afweek van de Bron van het goede.

God is dus geen dominosteen die een keten begon en daardoor iedere volgende daad veroorzaakte. Hij is de Grond van de keten zelf. Adam en Eva kozen binnen die gedragen werkelijkheid voor autonomie, en God stuurde hen daarna uit Eden om de toegang tot de boom des levens af te sluiten.

De diepste vraag is daarom niet alleen:

“Waarom heeft God dit laten gebeuren?”

maar ook:

“Waarom wil de mens autonoom zijn in willen, doen en weten?”

Plaats een reactie